ECLI:NL:CRVB:2006:AV0365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag rolstoelbus en adequaatheid collectief rolstoeltaxivervoer
Gedaagde verzocht om een rolstoelbus voor haar dochter op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). De gemeente wees de aanvraag af omdat de rolstoelbus reeds was aangeschaft en door een verzekeraar betaald, en omdat collectief vervoer per rolstoeltaxi als goedkoopste adequate voorziening werd gezien.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens ondeugdelijke motivering en oordeelde dat individuele omstandigheden onvoldoende waren meegewogen, met name dat gescheiden reizen van gezinsleden niet adequaat zou zijn. De gemeente ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het primaat van collectief vervoer in de verordening terecht is toegepast en dat medisch advies het gebruik van rolstoeltaxivervoer ondersteunt. De gescheiden verplaatsing van gezinsleden leidt niet zonder meer tot het oordeel dat het collectief vervoer niet adequaat is.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het besluit van de gemeente juist was. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de rolstoelbusaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de gemeente bevestigd.