ECLI:NL:CRVB:2006:AV0133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en bijstandsuitkering naar gehuwdennorm
Appellant en appellante ontvingen aanvankelijk ieder afzonderlijk een bijstandsuitkering volgens de norm voor alleenstaande respectievelijk alleenstaande ouder. Nadat appellant een kamer ging huren in de woning van appellante, werd hun uitkering per 1 oktober 2003 herzien naar één gezamenlijke uitkering volgens de gehuwdennorm. De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar tegen deze herziening ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden.
De Raad beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw). Hierbij werd vastgesteld dat appellanten hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en dat er sprake was van wederzijdse verzorging, onder meer doordat appellante de bankrekening van appellant beheerde en zij samen aten, boodschappen deden en uitstapjes maakten. De Raad oordeelde dat het niet vereist is dat beide partijen een gelijke bijdrage leveren in de huishoudkosten.
Verder concludeerde de Raad dat er geen sprake was van een zakelijke kostgangersrelatie, mede omdat de overeengekomen bijdrage van appellant niet reëel was en hij pas recentelijk met betaling was gestart. Gezien deze feiten was appellanten vanaf 1 oktober 2003 een gezamenlijke huishouding toegerekend, waardoor zij als gehuwd werden beschouwd en geen recht meer hadden op afzonderlijke bijstandsuitkeringen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de gezamenlijke huishouding wordt bevestigd, waardoor appellanten recht hebben op een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm vanaf 1 oktober 2003.