ECLI:NL:CRVB:2006:AU9447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten na eerdere afwijzing en geen nieuwe feiten
Appellant heeft bij het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen bijzondere bijstand aangevraagd voor proceskosten die hij verschuldigd was op grond van een vonnis van de rechtbank Arnhem en een arrest van het gerechtshof Arnhem. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, later herroepen, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd en appellant voldoende middelen had om de kosten te dragen.
De rechtbank Arnhem heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en overwogen dat de aanvraag van bijzondere bijstand niet kon worden toegekend omdat het besluit van 10 april 2001 onaantastbaar was geworden en appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd. Tevens was appellant ten tijde van het arrest van het gerechtshof in staat om in zijn noodzakelijke kosten te voorzien, zodat bijzondere bijstand niet mogelijk was.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het niet stellen van nieuwe feiten onterecht was, omdat zijn financiële positie en de gelijkheid van middelen in de procedure niet waren meegenomen. Ook wees hij op eerdere uitspraken die door WNO zouden zijn genegeerd. De Centrale Raad van Beroep heeft deze gronden echter niet gevolgd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er waren geen redenen voor een proceskostenveroordeling.
De Raad bevestigt daarmee het standpunt dat bijzondere bijstand voor proceskosten slechts kan worden toegekend indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden of indien appellant niet in staat is in de noodzakelijke kosten te voorzien. Dit was niet het geval, waardoor de aanvraag terecht is afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijzondere bijstand voor proceskosten wegens het ontbreken van nieuwe feiten en voldoende middelen bij appellant.