ECLI:NL:CRVB:2005:AV7591

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3853 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8, tweede lid, WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht en vennootschapsstatus

Appellant had een WW-uitkering ontvangen vanaf 1 februari 2002, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat appellant voorafgaand aan zijn werkloosheid niet als werknemer, maar als vennoot van een vennootschap onder firma werkzaam was. Tevens had appellant dit niet gemeld, waardoor sprake was van schending van de inlichtingenplicht.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat uit verklaringen van mede-vennoten bleek dat appellant feitelijk als vennoot fungeerde, ondanks dat zijn echtgenote als vennoot in het handelsregister stond ingeschreven. Hierdoor kon appellant niet als werknemer worden aangemerkt en was de intrekking terecht.

Appellant voerde subsidiair aan dat hij zijn werknemerschap had herkregen op grond van artikel 8, tweede lid, WW, omdat hij zijn zelfstandige werkzaamheden binnen anderhalf jaar had beëindigd. De Raad verwierp dit verweer omdat de beëindiging van de werkzaamheden medio december 2001 plaatsvond en de termijn niet was gehaald.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden vonnis en oordeelde dat de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering terecht was, mede gelet op de verklaringen van de mede-vennoten die de feitelijke vennootschapsrelatie van appellant bevestigden.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat appellant als vennoot en niet als werknemer werkte en dit niet had gemeld.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/3853 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Gravenhage op 25 mei 2004 onder kenmerk 03/4623 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 29 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.J. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 2 april 2003 heeft gedaagde de met ingang van 1 februari 2002 aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met terugwerkende kracht ingetrokken, kort gezegd, omdat hij voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid niet als werknemer, maar als vennoot van [naam v.o.f.] ([naam v.o.f.]) zou hebben gewerkt en daarover gedaagde niet heeft ingelicht. Bij besluit van 7 april 2003 heeft gedaagde de aldus onverschuldigd betaalde WW-uitkering ad € 22.758,16 van appellant teruggevorderd.
Het tegen deze besluiten gerichte bezwaar is bij het bestreden besluit van 19 september 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer overwogen dat de in het dossier aanwezige verklaringen genoegzaam aannemelijk maken dat appellant en niet zijn echtgenote als vennoot van [naam v.o.f.] is aan te merken, ondanks de andersluidende inschrijving in het handelsregister.
De Raad onderschrijft, anders dan appellant, dit oordeel van de rechtbank en verwijst daarvoor in het bijzonder naar de verklaringen van de beide andere vennoten van [naam v.o.f.]. De medevennoot [naam medevennoot] heeft in het tegen appellant ingestelde opsporingsonderzoek, als door de Raad samengevat, verklaard:
“Ik ben eind 1998 gestart met [naam v.o.f.] Uitzendbureau. Het betrof een eenmanszaak. Samen met [D.] en de toen bij mij in dienst zijnde appellant ben ik overeengekomen de eenmanszaak om te zetten naar een vennootschap onder firma. De reden was dat [D.] en appellant een aandeel in de winst wilden. Aangezien appellant bij mij in loondienst werkte, wilde hij niet ingeschreven staan als vennoot. Toen ontstond het idee om zijn vrouw vennoot te maken. Belangrijke beslissingen namen [D.], appellant en ik samen.”
In dat opsporingsonderzoek heeft de medevennoot [D.], als door de Raad samengevat, verklaard:
“De echtgenote van appellant deed de afwas en zette thee. Zij was een papieren vennoot en was voor de formaliteit aanwezig. Appellant regelde samen met mij de opdrachtgevers. Indien hij er niet was geweest dan was [naam v.o.f.] niet de helft zo groot geweest.”
Ter zitting is vanwege appellant als subsidiaire beroepsgrond aangevoerd dat hij zijn werknemerschap op grond van
artikel 8, tweede lid, van de WW heeft herkregen, aangezien hij zijn werkzaamheden als zelfstandige binnen anderhalf jaar na de aanvang heeft beëindigd.
Blijkens uittreksel uit het handelsregister is de echtgenote van appellant per 1 januari 1999 als vennoot tot [naam v.o.f.] toegetreden. Uit de hiervoor geciteerde verklaringen blijkt dat de echtgenote van appellant in zijn plaats als vennoot in het handelsregister is vermeld. Dat betekent dat de beëindiging van de werkzaamheden medio december 2001 in elk geval niet binnen anderhalf jaar heeft plaatsgevonden, zodat een beroep op het herkrijgen van het werknemerschap reeds om die reden niet slaagt.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
13 oktober 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A. Kovács.