ECLI:NL:CRVB:2005:AV7591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht en vennootschapsstatus
Appellant had een WW-uitkering ontvangen vanaf 1 februari 2002, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat appellant voorafgaand aan zijn werkloosheid niet als werknemer, maar als vennoot van een vennootschap onder firma werkzaam was. Tevens had appellant dit niet gemeld, waardoor sprake was van schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat uit verklaringen van mede-vennoten bleek dat appellant feitelijk als vennoot fungeerde, ondanks dat zijn echtgenote als vennoot in het handelsregister stond ingeschreven. Hierdoor kon appellant niet als werknemer worden aangemerkt en was de intrekking terecht.
Appellant voerde subsidiair aan dat hij zijn werknemerschap had herkregen op grond van artikel 8, tweede lid, WW, omdat hij zijn zelfstandige werkzaamheden binnen anderhalf jaar had beëindigd. De Raad verwierp dit verweer omdat de beëindiging van de werkzaamheden medio december 2001 plaatsvond en de termijn niet was gehaald.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden vonnis en oordeelde dat de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering terecht was, mede gelet op de verklaringen van de mede-vennoten die de feitelijke vennootschapsrelatie van appellant bevestigden.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd omdat appellant als vennoot en niet als werknemer werkte en dit niet had gemeld.