ECLI:NL:CRVB:2005:AU9124

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4378 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding wegens ziekte door blootstelling aan arbeidsstoffen bij defensie

Betrokkene was van 1973 tot 1993 werkzaam bij de Koninklijke Marine en kreeg in 1998 de diagnose acute leukemie. Hij stelde dat zijn ziekte veroorzaakt werd door blootstelling aan diverse stoffen, waaronder het oplosmiddel Mavomix, tijdens zijn werk. In 2001 verzocht hij om vergoeding van materiële en immateriële schade, maar dit verzoek werd door de Staatssecretaris van Defensie afgewezen en die afwijzing werd bevestigd door de rechtbank.

In hoger beroep baseerde appellante het verzoek uitsluitend op het product Mavomix, dat gebruikt werd voor het verwijderen van stickers. De Raad stelde vast dat er onvoldoende bewijs was voor een causaal verband tussen het gebruik van Mavomix en de ziekte van betrokkene. Hoewel appellante pleitte voor verruiming van de jurisprudentie vanwege onzekerheid over de samenstelling van het product in de jaren voor 1983, hield de Raad vast aan de eis van een voldoende mate van waarschijnlijkheid van oorzakelijk verband.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Raad een verzoek om vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 15 december 2005.

Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit tot afwijzing van schadevergoeding wordt bevestigd.

Uitspraak

04/4378 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] als erfgenaam van wijlen [betrokkene], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 2004, nr. 03/834 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog nadere stukken toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 november 2005, waar voor appellante is verschenen mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Harderwijk, en haar echtgenoot [naam echtgenoot], en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. M. van Reigersberg Versluys, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. [betrokkene], hierna betrokkene, is in de periode van 1973 tot 1993 als ambtenaar in dienst van gedaagde werkzaam geweest bij de Koninklijke Marine, in de functie van transporteur in de bewapeningswerkplaats te [vestigingsplaats]. Bij betrokkene is in de loop van 1998 de diagnose acute leukemie gesteld. Hij is op 15 juni 2003 overleden.
1.2. In januari 2001 is namens betrokkene verzocht om vergoeding van de door zijn ziekte ontstane materiële en immateriële schade, omdat deze schade volgens hem veroorzaakt is door diverse stoffen waarmee hij in aanraking kwam bij zijn werk in de bewapeningswerkplaats. Volgens betrokkene is gedaagde in dat kader de op hem als werkgever rustende zorgplicht niet naar behoren nagekomen.
1.3. Bij besluit van 27 juli 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit), heeft gedaagde dat verzoek afgewezen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
3.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellante in hoger beroep haar verzoek om schadevergoeding uitsluitend nog baseert op het produkt Mavomix, waarmee betrokkene in de jaren voorafgaand aan 1983 tijdens zijn werkzaamheden in aanraking is geweest. Mavomix is een oplosmiddel dat bestemd is voor het verwijderen van stickers.
3.2. De gemachtigde van appellante heeft aangevoerd dat hij bekend is met de ook door de rechtbank aangehaalde eis die in de jurisprudentie van de Raad wordt genoemd - zie CRvB 19 september 2002, LJN AE8965, TAR 2003, 25 - dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan en dat een dergelijk causaal verband eerst aanwezig geacht wordt indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Hij heeft ook erkend dat van een voldoende mate van waarschijnlijkheid als vorenbedoeld hier niet kan worden gesproken.
3.3. Hij is evenwel van mening dat ’s Raads jurisprudentie verruimd moet worden, omdat vorenbedoelde eis, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, hier niet gesteld kan worden. Daartoe is onder meer het volgende aangevoerd. Vanwege het ontbreken toentertijd van een registratieplicht bestaat onzekerheid omtrent de samenstelling van het produkt in 1983 en voorgaande jaren. Oplosmiddelen, benzeenhoudende produkten en andere olieprodukten kunnen mogelijk leiden tot leukemie. Betrokkene mocht vanwege medische klachten vanaf 1983 niet meer met het produkt werken. Nu niets bekend is omtrent de samenstelling van het middel is de kans groot op de aanwezigheid van bepaalde stoffen in dat produkt, die later verboden zijn dan wel niet meer gebruikt worden.
3.4. Uit de gedingstukken blijkt dat dat de exacte receptuur van het middel ten tijde hier van belang niet bekend is. Wel is bekend dat het middel vanaf 1986 bestond uit de stoffen alcohol en perchloorethyleen. Volgens gedaagdes medisch adviseur kan niet vastgesteld worden dat perchloorethyleen een carcinogeen effect heeft. Voorts heeft deze adviseur erop gewezen dat indien er mogelijk toch een zodanig effect zou zijn, zulks gerelateerd moet worden aan de intensiteit en de duur van de blootstelling, welke in dit geval beperkt zijn gebleven.
Gezien het vorenstaande en gelet op de aard van het produkt is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunt is dat het middel voor 1986 enige andere dan de hiervoor genoemde stoffen bevatte die tot leukemie zouden kunnen leiden. Daarbij is van belang dat de reden waarom betrokkene vanaf 1983 niet meer met de stof mocht werken was gelegen in allergische klachten.
Verder neemt de Raad in aanmerking dat appellant, naar uit de gedingstukken is gebleken, tot 1983 niet voortdurend maar slechts zo nu en dan met de stof werkte.
3.5. Gelet op het hiervoor overwogene vindt de Raad in hetgeen appellante heeft doen aanvoeren geen aanleiding niet langer vast te houden aan de hiervoor geformuleerde eis dat er een voldoende mate van waarschijnlijkheid moet bestaan dat de werkzaamheden en/of de werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2005.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.