ECLI:NL:CRVB:2005:AU8548
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering door rechtsgeldige beëindiging arbeidsovereenkomst volgens CAO-Welzijn
Appellante, werkzaam als maatschappelijk werkster, had meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bij dezelfde werkgever, telkens verlengd binnen de maximale termijn van 2,5 jaar zoals bepaald in de CAO-Welzijn. Gedaagde weigerde een WW-uitkering omdat de arbeidsovereenkomst volgens het Burgerlijk Wetboek als onbepaalde tijd gold door opeenvolging van contracten zonder rechtsgeldige beëindiging.
Appellante voerde aan dat de CAO-Welzijn afwijkende bepalingen bevat die het mogelijk maken dat de laatste overeenkomst rechtsgeldig eindigt door het verstrijken van de afgesproken tijdsduur zonder opzegging. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat de CAO niet afwijkt van het BW, en wees het beroep af.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat artikel 10 van Pro de CAO-Welzijn inderdaad een rechtsgeldige afwijking vormt van artikel 7:668a BW, doordat het binnen de maximale duur van 2,5 jaar meerdere contracten voor bepaalde tijd zonder opzegging mogelijk maakt. De laatste overeenkomst kon derhalve rechtsgeldig eindigen per 1 januari 2003. Het eerdere besluit en uitspraak werden vernietigd en gedaagde werd opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze overwegingen.
De Raad veroordeelde gedaagde tevens tot vergoeding van reiskosten en griffierecht van appellante, waarbij het verzoek tot vergoeding van niet nader gespecificeerde verletkosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat de laatste arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd volgens de CAO-Welzijn.