ECLI:NL:CRVB:2005:AU8104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 8:26 Awb en beoordeling WAO-uitkeringsbesluit met betrokkenheid werkgever
Appellante was werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst en viel uit wegens hart- en astmatische klachten. Haar WAO-uitkering werd beëindigd op basis van een herbeoordeling, waarna bezwaar werd gemaakt. De werkgever werd als belanghebbende betrokken bij de bezwaarprocedure, maar de rechtbank gaf geen toepassing aan artikel 8:26 van Pro de Awb om de werkgever als partij in het geding toe te laten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank had moeten toepassen artikel 8:26 Awb Pro en de werkgever de mogelijkheid had moeten bieden om als partij deel te nemen. Omdat dit niet is gebeurd, kan de uitspraak niet in stand blijven. De Raad vernietigt daarom de uitspraak voor zover deze het besluit van 22 maart 2002 betreft.
Inhoudelijk stelt de Raad vast dat appellante onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan vastgesteld. De geselecteerde functies zijn passend bij het belastbaarheidspatroon. De Raad handhaaft het besluit dat appellante recht heeft op een WAO-uitkering van 35 tot 45% vanaf 14 mei 2002.
De Raad ziet geen reden voor terugwijzing naar de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van artikel 8:26 Awb Pro om de positie van belanghebbenden in bestuursrechtelijke procedures te waarborgen.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens niet-toepassing van artikel 8:26 Awb, het besluit tot vaststelling van de WAO-uitkering wordt gehandhaafd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.