ECLI:NL:CRVB:2005:AU7276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1979 bijstand als alleenstaande ouder. Gedaagde stelde op basis van een tip en onderzoek vast dat appellante vanaf november 1999 samenwoonde met haar partner, zonder dit te melden. Hierdoor werd ten onrechte bijstand verleend volgens de norm voor alleenstaande ouder.
De rechtbank verklaarde eerder de beroepen van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de gezamenlijke huishouding pas in 2001 begon en dat haar eerdere verklaring onder druk was afgelegd. De Raad oordeelde dat de verklaring vrij en zonder onaanvaardbare druk was gegeven en dat het lage waterverbruik en het ontbreken van bewijs voor een latere aanvang de gezamenlijke huishouding vanaf november 1999 aannemelijk maken.
De Raad bevestigde dat gedaagde terecht de bijstand introk en terugvorderde over de periode 1 november 1999 tot 1 februari 2002. Ook werd de boete verlaagd conform de WWB-maatregelenverordening. Het hoger beroep tegen één van de uitspraken werd niet-ontvankelijk verklaard. De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en de boete gehandhaafd.