ECLI:NL:CRVB:2005:AU6854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens reorganisatie
Appellant, sinds 1972 in dienst bij zijn werkgever als DTP-er, werd ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. De werkgever vroeg een ontslagvergunning aan bij het CWI, die deze weigerde vanwege onvoldoende aannemelijkheid van het ontbreken van wederkerig uitwisselbare functies en onjuiste toepassing van de anciënniteitsregel. Desondanks ontbond de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2003 na een ontbindingsverzoek van de werkgever.
Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door onvoldoende verweer te voeren tegen het ontbindingsverzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij niet voldeed aan het vereiste van het Besluit verweer tegen ontslag en daarmee onnodig meewerkte aan zijn ontslag.
In hoger beroep stelde appellant dat gedaagde onvoldoende onderzoek had gedaan en zich te veel had laten leiden door de CWI-beschikking. De Centrale Raad oordeelt dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door de weigering van de ontslagvergunning niet in het verweer te betrekken, maar dat het niet duidelijk is of zijn verweer kans van slagen had vanwege de financiële situatie van de werkgever en onduidelijkheden over de functie-uitwisseling.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en beveelt een nieuwe beslissing waarbij nader onderzoek wordt verricht. Tevens veroordeelt de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen na nader onderzoek.