ECLI:NL:CRVB:2005:AU6264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Blijvende en gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant, die sinds 1993 in dienst was van een werkgever in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening, werd per 9 oktober 1995 ontslagen wegens ernstige nalatigheid van zijn arbeidsverplichtingen. Hij vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank Maastricht oordeelde dat appellant terecht in de hoogste sanctiecategorie was ingedeeld vanwege zijn verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op herhaaldelijke ongeoorloofde afwezigheid, verzuim en het niet naleven van afspraken, zonder dat dit verband hield met zijn medische toestand. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische situatie onvoldoende was onderzocht en dat zijn afwezigheid gerechtvaardigd was.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en stelde vast dat het ontslag niet verband hield met medische klachten maar met verwijtbaar gedrag. De Raad vernietigde wel het besluit omtrent de herleving van de sanctie per 23 juli 2002, omdat dit apart beoordeeld had moeten worden. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Blijvende en gehele weigering WW-uitkering bevestigd, herleving sanctie vernietigd en UWV veroordeeld tot proceskostenvergoeding.