ECLI:NL:CRVB:2005:AU6261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar ontslag na reorganisatie
Appellante was bestuurssecretaresse bij een gemeente en kreeg op eigen verzoek eervol ontslag per 1 mei 2002. Zij vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij zelf ontslag had genomen terwijl van haar verwacht kon worden te blijven werken. De reden van ontslag, een reorganisatie en verstoorde arbeidsverhouding, werd onvoldoende geacht om de weigering te weerleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering van de bovenwettelijke uitkering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en verwierp het beroep tegen de WW-weigering. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het beroep ook tegen de bovenwettelijke uitkering gericht was en dat de verstoorde arbeidsverhouding haar ontslag rechtvaardigde.
De Raad oordeelde dat het beroep tegen de bovenwettelijke uitkering niet tijdig was ingediend en dat de verstoorde arbeidsrelatie onvoldoende was onderbouwd. Appellante had het initiatief tot ontslag genomen en had redelijkerwijs moeten blijven werken. Daarom was zij verwijtbaar werkloos geworden en werd de weigering van de WW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering en verklaart het beroep tegen de bovenwettelijke uitkering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.