ECLI:NL:CRVB:2005:AU5925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst wegens functieverlaging
Appellant was sinds 1999 projectmanager en viel eind 2001 wegens ziekte uit. Na reïntegratie werd hem een lager betaalde functie aangeboden met een aanzienlijk lager salaris en minder arbeidsvoorwaarden. Appellant wilde dit niet accepteren en vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waarna de kantonrechter een vergoeding toekende.
Appellant vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door zelf initiatief tot beëindiging van het dienstverband. Zowel het bezwaar als het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onvrijwillig werkloos was geworden vanwege een onhoudbare situatie door een persoonlijk conflict en onaanvaardbare salarisverlaging. De Raad oordeelde dat de werkloosheid vanaf 1 mei 2003 verwijtbaar was, maar dat de werkloosheid vanaf 1 april 2003 niet in overwegende mate aan appellant kon worden toegerekend.
De Raad wees op het feit dat appellant onder druk was gezet om het lagere salaris te accepteren, dat de werkgever de ontbinding ook zelf had verzocht en dat de hoogte van de vergoeding wijst op verwijtbaarheid van de werkgever. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen. Tevens werd de werkgever veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot weigering van de WW-uitkering en beveelt een nieuw besluit te nemen.