ECLI:NL:CRVB:2005:AU5685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en terugvordering
Appellanten ontvingen sinds 1996 een bijstandsuitkering. Vanaf april 2000 verrichtte appellant parttime werkzaamheden bij een garagebedrijf, welke inkomsten werden verrekend met de bijstand. In september 2001 werd het recht op bijstand beëindigd vanwege een dienstbetrekking met hogere inkomsten.
Onderzoek door de politie en de gemeente wees uit dat appellant meer werkzaamheden verrichtte dan opgegeven. Hierdoor concludeerde gedaagde dat appellanten de inlichtingenverplichting schonden. Het recht op bijstand werd ingetrokken over de periode juni 1997 tot augustus 2001 en de onverschuldigd betaalde uitkering werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad onderschrijft dit oordeel. De verklaring van appellant en de administratie van het garagebedrijf vormden voldoende bewijs. De Raad oordeelt dat de inlichtingenverplichting niet is nagekomen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Er zijn geen dringende redenen gevonden om af te zien van intrekking of terugvordering. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.