ECLI:NL:CRVB:2005:AU5657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 1990 bijstand en kreeg deze ingetrokken over de periode 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2002 vanwege vermeende inkomsten uit arbeid bij garagebedrijf [naam bedrijf]. De gemeente vorderde de gemaakte bijstandskosten van €31.621,31 terug. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Raad herzag dit in hoger beroep.
De Raad concludeerde dat voldoende bewijs bestond voor werkzaamheden en inkomsten van appellant tussen 1 juli 1999 en 1 juli 2000, mede gebaseerd op wekelijkse betalingen en zijn regelmatige aanwezigheid in het garagebedrijf. Voor de periode na 1 juli 2000 ontbrak echter concreet bewijs van werkzaamheden of inkomsten, ondanks getuigenverklaringen over zijn aanwezigheid.
Daarom oordeelde de Raad dat alleen de intrekking en terugvordering over de periode 1 juli 1999 tot 1 juli 2000 gerechtvaardigd was. Het besluit tot beëindiging en terugvordering over de periode 1 juli 2000 tot 30 juni 2002 werd vernietigd. De gemeente moet een nieuw besluit nemen en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering over 1 juli 2000 tot 30 juni 2002 wordt vernietigd.