ECLI:NL:CRVB:2005:AU5601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indeling kleine werkgever en premiedifferentiatie WAO in hoger beroep
Het geschil betreft de vraag of een werkgever terecht is ingedeeld in de categorie kleine werkgevers voor de gedifferentieerde WAO-premie over het jaar 2003. De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelt dat de indeling correct is en dat de verschuldigde premie van 2,38% juist is vastgesteld.
De rechtbank Amsterdam had het bestreden besluit vernietigd en geoordeeld dat artikel 4a van het Besluit premiedifferentiatie WAO in strijd is met artikel 78 van Pro de WAO, waardoor de opslag of korting voor kleine werkgevers nihil zou moeten zijn. Het Uitvoeringsinstituut stelde hiertegen hoger beroep in.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar een eerdere uitspraak waarin het hoger beroep werd toegewezen en overweegt dat er sinds de invoering van de gedifferentieerde WAO-premie in 1998 altijd onderscheid is gemaakt tussen kleine en grote werkgevers. Het verschil in behandeling is gerechtvaardigd vanwege verschillen in instroom in de WAO en het onvergelijkbare effect van het premiesysteem.
De Raad oordeelt dat er geen sprake is van gelijke gevallen en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee het bestreden besluit in stand blijft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.