ECLI:NL:CRVB:2005:AU5119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering IOAW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1 juni 1999 een IOAW-uitkering als alleenstaande, terwijl hij samen met appellante een gezamenlijke huishouding voerde. Dit werd vastgesteld na onderzoek door sociale recherche, waarbij bleek dat zij samenwoonden, gezamenlijke kosten deelden en een gezamenlijke inboedelverzekering hadden. Gedaagde besloot daarom de uitkering vanaf 1 januari 2002 te beëindigen en de ten onrechte ontvangen uitkering over de periode daarvoor terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant en appellante ongegrond, waarna beiden in hoger beroep gingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de voorwaarden van artikel 3, derde lid, en artikel 26, tweede lid, van de IOAW zijn vervuld. Appellanten voerden onvoldoende bewijs aan tegen de vastgestelde gezamenlijke huishouding.
De Raad wijst ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel af, omdat appellant zijn inlichtingenplicht schond. De strafrechtelijke vrijspraak van valsheid in geschrifte doet hieraan geen afbreuk. De Raad bevestigt de uitspraken en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en appellante een gezamenlijke huishouding voeren en de ten onrechte verleende IOAW-uitkering moet worden teruggevorderd.