ECLI:NL:CRVB:2005:AU4488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens vermeende onbekende inkomsten onvoldoende onderbouwd
Appellanten ontvingen sinds 31 mei 1999 een bijstandsuitkering volgens de norm voor gehuwden en woonden aanvankelijk in een eigen woning. Na een verhuizing naar een duurdere woning en een vervolgonderzoek stelde gedaagde dat appellanten mogelijk beschikten over een onbekende inkomstenbron, mede gebaseerd op hun uitgavenpatroon en het bezit van vermogen boven de vermogensgrens. Gedaagde beëindigde daarop de bijstandsuitkering per 1 juni 2002 en vorderde terugbetaling van eerder verleende bijstand.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit moest nemen, omdat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor het vermoeden van andere inkomsten. Gedaagde handhaafde het besluit op basis van het uitgavenpatroon en vermeend vermogen, maar de Raad oordeelde dat de verschillen tussen inkomsten en uitgaven gering waren en de periode kort, en dat het vermogen per 1 juni 2002 niet adequaat was beoordeeld.
De Centrale Raad vernietigde het besluit van 29 juli 2003 wegens strijd met het motiveringsbeginsel en de Algemene wet bestuursrecht en beval gedaagde een nieuw besluit te nemen. Het hoger beroep tegen latere besluiten werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering per 1 juni 2002 is vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.