ECLI:NL:CRVB:2005:AU4395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na eigen ontbindingsverzoek
Appellant was sinds 1985 in dienst van zijn werkgever. Na een eerdere ontbindingsprocedure waarbij de werkgever het verzoek introk, vroeg appellant zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 15 juni 2002 en kende appellant een vergoeding toe.
De uitkeringsinstantie kende appellant een WW-uitkering toe, maar verlaagde deze met 35% gedurende 26 weken wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf het initiatief tot ontbinding nam. Appellant maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat werkloosheid verwijtbaar is indien de werknemer zelf om ontbinding verzoekt, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, die hier niet zijn gebleken. De Raad benadrukt dat appellant geen contact opnam met werkgever of bedrijfsarts na het aanbod om terug te keren, waardoor voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet werd nagestreefd.
De Raad oordeelt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en dat de verlaging van de uitkering terecht is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De bestreden uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 35% wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.