ECLI:NL:CRVB:2005:AU4007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling maximumbedrag hypothecaire geldlening onder ABW onjuist vastgesteld
Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van het maximumbedrag van een hypothecaire geldlening onder de Algemene bijstandswet door de gemeente Oegstgeest. De Raad beoordeelde onder meer de juiste peildatum voor de waarde van de woning, de schuld aan familieleden en het overige vermogen.
De Raad oordeelde dat de waarde van de woning op 17 oktober 2001 correct was vastgesteld, maar dat de schuld aan familieleden onjuist was vastgesteld op ƒ 97.000,-- in plaats van ƒ 97.500,--. Daarnaast werd geoordeeld dat een extra storting van ƒ 12.500,-- niet als op de woning drukkende schuld kon worden aangemerkt. Kosten van rechtsbijstand werden niet in aanmerking genomen omdat deze niet werden geïnd.
Verder stelde de Raad vast dat de gemeente ten onrechte een bedrag van ƒ 1.800,-- bij het vermogen had betrokken dat pas na de peildatum op de rekening was bijgeschreven. De Raad vernietigde het besluit van 10 december 2002 en stelde het maximumbedrag van de geldlening vast op € 37.645,72. Tevens werden de proceskosten van appellante aan haar toegewezen.
Uitkomst: Het maximumbedrag van de hypothecaire geldlening wordt vastgesteld op € 37.645,72 en het besluit van 10 december 2002 wordt vernietigd.