ECLI:NL:CRVB:2005:AU2448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Stam
- M.C.M. van Laar
- E. Aardema
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep vennootschap onder firma wegens ontbreken hoedanigheid
Appellant, een vennoot van een vennootschap onder firma, stelde in persoon beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat correctienota's betrof over de jaren 1999 tot en met juni 2001. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad overwoog dat de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2 Awb Pro niet beperkt is tot natuurlijke personen of rechtspersonen, maar dat een vennootschap onder firma wel zelf beroep kan instellen als haar belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.
Appellant had het beroep echter niet namens de vennootschap ingesteld, maar uitdrukkelijk in persoon. De Raad kon niet volgen dat appellant als rechtsopvolger van de vennootschap kon worden beschouwd, omdat daarvoor onvoldoende grondslag was. Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 Awb was appellant daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet namens de vennootschap onder firma is ingesteld.