ECLI:NL:CRVB:2005:AU2400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- C.M. van Wechem
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over premieplicht Poolse werknemers en onderzoek verblijfsstatus
In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om de vraag of een werkgever premies moest afdragen voor vier Poolse werknemers tegen het anoniementarief, omdat geen afschriften van identiteitsbewijzen en loonbelastingverklaringen aanwezig waren. De werkgever stelde dat deze werknemers op grond van de Koppelingswet niet verzekerd waren en dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) onderzoek had moeten doen naar hun verblijfsstatus.
De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. In hoger beroep beperkte de werkgever zich tot de vraag of de werknemers verzekerd waren volgens de Koppelingswet en of het UWV onderzoek had moeten doen naar de verblijfsstatus.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het primair op de weg van de werkgever ligt om zich te vergewissen van de verblijfsrechtelijke positie van de werknemers. Het UWV mag ervan uitgaan dat de werkgever alleen premies afdraagt voor verzekerde werknemers. De werkgever moet sluitend bewijs leveren als hij stelt dat werknemers illegaal waren. Het enkele feit dat de werkgever geen tewerkstellingsvergunningen heeft aangevraagd, is onvoldoende bewijs.
Ook het feit dat het UWV de verblijfsstatus niet heeft gecontroleerd via de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens doet hier niet aan af, omdat de betrokken werknemers waarschijnlijk niet in de GBA stonden ingeschreven. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een beroep op artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de werkgever verantwoordelijk is voor het onderzoek naar de verblijfsstatus en dat de premieplicht blijft gelden.