ECLI:NL:CRVB:2005:AU1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering zonder dringende reden
Appellant, geboren in 1954, ontving vanaf 25 september 1996 een WW-uitkering naast een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. In de jaren daarna wijzigden de uitkeringen door veranderingen in arbeidsongeschiktheid en werkhervatting. Gedaagde maakte besluiten over heropening en einddatum van de WW-uitkering kenbaar, waartegen appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en voerde aan dat er een dringende reden bestond om terugvordering van onverschuldigde betalingen te voorkomen. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde en dat de rechtbanksbeslissing juist was. De sociale en financiële omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De terugvordering van teveel betaalde voorschotten en uitkeringen was daarmee rechtmatig en werd gehandhaafd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde WW-uitkeringen wordt bevestigd wegens ontbreken van een dringende reden om hiervan af te zien.