ECLI:NL:CRVB:2005:AU1445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens erfdeelvermogen
Appellant ontving sinds 1983 een bijstandsuitkering die met ingang van 1 augustus 2000 werd beëindigd. Na het overlijden van zijn vader in 1999 kreeg appellant een erfdeel van netto f 37.120,--, waarover hij vanaf 21 januari 1999 bijstand ontving. De gemeente Emmen besloot op 5 februari 2001 het recht op bijstand over die periode in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Raad vernietigt dit oordeel en het besluit tot intrekking van de bijstand wegens strijd met de wet. De Raad bevestigt echter dat de terugvordering van de bijstandskosten op grond van artikel 82 Abw Pro terecht is, omdat appellant vanaf 21 januari 1999 over het erfdeel beschikte en daarmee vermogen had dat de vermogensgrens overschreed.
Appellant voerde aan dat hij pas in september 2000 over het erfdeel kon beschikken en dat hij wegens verblijf in Spanje en het niet aanvragen van bijstand tot november 2002 van terugvordering had moeten worden afgezien. De Raad oordeelt dat deze omstandigheden geen dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien.
De Raad veroordeelt de gemeente Emmen in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Het besluit van 5 februari 2001 wordt herroepen voor zover het de intrekking van de bijstand betreft.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd, maar de terugvordering van bijstandskosten wegens erfdeelvermogen wordt bevestigd.