ECLI:NL:CRVB:2005:AU1014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid niet op juiste wettelijke grondslag
Appellant ontving bijstand van 3 juni 1997 tot 18 mei 1998. Na melding van werkzaamheden bij een restaurant stelde de sociale recherche een onderzoek in. Dit leidde tot een besluit van gedaagde tot intrekking van de bijstand over de periode 3 juni tot 31 december 1997 wegens verzwegen inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij slechts drie dagen had gewerkt en een gering bedrag had verdiend. De Raad oordeelde echter dat het dossieronderzoek, getuigenverklaringen en administratieve gegevens voldoende bewijs leverden dat appellant gedurende langere tijd werkte en inkomsten genoot.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Gedaagde was bevoegd de bijstand in te trekken vanaf 1 juli 1997 op grond van de juiste wettelijke bepaling. Echter, de intrekking over de periode vóór 1 juli 1997 berustte op een onjuiste wettelijke grondslag en werd vernietigd. De rechtsgevolgen van dit deel van het besluit blijven in stand. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over de periode vóór 1 juli 1997 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; gedaagde wordt veroordeeld in proceskosten.