ECLI:NL:CRVB:2005:AU0686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden van bezwaar
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet, welke per 9 augustus 2001 werd beëindigd. Zij verzocht om hernieuwde bijstand, maar haar aanvraag werd op 26 juli 2002 afgewezen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaarschrift bevatte geen gronden van bezwaar. Gedaagde stelde een termijn voor het indienen van deze gronden, die niet werd gehaald.
Gedaagde verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden en zag af van het horen van appellante, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bezwaarschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro en dat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om het verzuim te herstellen. Het niet tijdig indienen van de gronden en het ontbreken van een verzoek om uitstel maakten het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Het afzien van het horen was gerechtvaardigd. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet tijdig indienen daarvan; het hoger beroep werd afgewezen.