ECLI:NL:CRVB:2005:AU0534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken geldige verblijfsstatus
Appellant, van Turkse nationaliteit, ontving sinds januari 1997 een bijstandsuitkering. Hij diende pas op 20 september 2001 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning wegens bijzondere individuele omstandigheden. De gemeente Amsterdam beëindigde daarom per 1 mei 2002 zijn uitkering wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus. Het bezwaar tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn medische toestand en lopende verblijfsprocedure, voortzetting van de bijstand rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat appellant niet kon worden gelijkgesteld aan een Nederlander op grond van de relevante artikelen van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen. Het verzoek tot toepassing van artikel 11 Abw Pro stuitte af op het tweede lid, dat dit uitsluit voor vreemdelingen zoals appellant.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De Koppelingswet is volgens de Raad volledig van toepassing omdat appellant zijn verblijfsvergunning pas na 1 juli 1998 aanvroeg, waardoor voortzetting van de bijstand niet gerechtvaardigd is.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering aan appellant wegens het ontbreken van een geldige verblijfsstatus wordt bevestigd.