ECLI:NL:CRVB:2005:AU0456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen schorsing WW-uitkering wegens gebrek aan belang
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage waarin zijn beroep tegen de schorsing van zijn WW-uitkering niet-ontvankelijk werd verklaard. De schorsing was gebaseerd op een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarbij de WW-uitkering vanaf 18 juni 2001 werd geschorst in afwachting van onderzoek naar zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van het besluit omdat hij vanaf 14 augustus 2000 onafgebroken een voorschot op een WW-uitkering ontving. In hoger beroep stelde appellant zich niet te kunnen verenigen met dit oordeel, maar de Raad concludeerde dat er geen geschil meer was omdat appellant expliciet verklaarde dat zijn grieven niet tegen de aangevallen uitspraak met betrekking tot zijn WW-uitkering waren gericht.
Daarnaast wees de Raad erop dat de rechtbank in twee andere uitspraken had beslist over de WAO-besluiten, waartegen appellant geen hoger beroep had ingesteld. Deze besluiten maken geen deel uit van het huidige geding. De Raad achtte geen grond aanwezig voor vergoeding van proceskosten en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij de beoordeling van de schorsing van de WW-uitkering.