ECLI:NL:CRVB:2005:AT9471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen
Appellante, een voormalige ziekenhuispredikant, ontving sinds 1997 een WW-uitkering. Na een periode van werkloosheid werd haar uitkering verlaagd met 20% voor 16 weken omdat zij onvoldoende passende arbeid trachtte te verkrijgen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante in de periode van 5 maart 2002 tot 23 juni 2002 geen enkele sollicitatie had verricht, terwijl zij gelet op haar opleiding en ervaring passende functies op academisch en HBO-niveau kon nastreven. Er waren geen omstandigheden die het uitblijven van sollicitaties konden rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat de verplichting om ten minste één concrete sollicitatie per week te verrichten niet was nagekomen en dat er een causaal verband bestaat tussen het niet solliciteren en het voortduren van de werkloosheid. Daarom was de verlaging van de uitkering terecht opgelegd en kon deze niet worden gematigd. De Raad wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen.