ECLI:NL:CRVB:2005:AT9179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-nakoming inlichtingenverplichting en verzwegen vermogen
Appellanten ontvingen tot 1 oktober 2001 een bijstandsuitkering, die werd beëindigd omdat zij niet voldeden aan de inlichtingenverplichting. Uit onderzoek bleek dat zij vermogen hadden in de vorm van sieraden en onroerend goed in Suriname, waaronder een perceel grond met woning dat in april 2000 was verkocht.
Na beëindiging dienden appellanten nieuwe aanvragen in voor bijstand, welke werden afgewezen omdat zij niet aannemelijk maakten dat zij niet langer beschikten over vermogen boven de wettelijke vermogensgrens. De Raad constateerde onduidelijkheid over de werkelijke opbrengst van de verkoop en het verdere verloop van het vermogen, ondanks overgelegde bankafschriften.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en oordeelde dat appellanten niet hadden aangetoond dat zij recht hadden op bijstand. De afwijzing van de aanvragen werd gehandhaafd en de hoger beroepen werden verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bijstandsuitkering en afwijzing van nieuwe aanvragen wegens niet-nakoming van de inlichtingenverplichting en verzwegen vermogen.