ECLI:NL:CRVB:2005:AT9156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag overlijdensuitkering wegens ontbreken gezinsverband
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een overlijdensuitkering na het overlijden van zijn moeder, die een ouderdomspensioen ontving op grond van de AOW. De Sociale verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat appellant niet tot de in artikel 18, eerste lid, van de AOW genoemde categorieën behoorde.
De kern van het geschil was of appellant als persoon kon worden aangemerkt ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie appellant in gezinsverband leefde. De Raad stelde vast dat de moeder van appellant sinds augustus 1998 in een verpleegtehuis verbleef, ongeveer 5½ jaar tot haar overlijden.
Gezien dit langdurige verblijf oordeelde de Raad dat het gezinsverband tussen appellant en zijn moeder ten tijde van haar overlijden was verbroken. Het feit dat appellant zijn moeder dagelijks bezocht en voor haar zorgde, deed hieraan niet af. Daarom werd de aanvraag voor de overlijdensuitkering terecht afgewezen en werd het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een overlijdensuitkering wordt afgewezen omdat appellant niet in gezinsverband leefde met zijn moeder ten tijde van haar overlijden.