ECLI:NL:CRVB:2007:BC1488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4100 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 17 BeroepswetArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening van uitspraak inzake gezinsverband bij AOW

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak over het gezinsverband in het kader van de AOW. De Raad heeft het verzoek inhoudelijk onderzocht en vastgesteld dat het verzoek niet gebaseerd is op nieuwe feiten of omstandigheden die aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:88 Awb Pro voldoen.

Tijdens de zitting was verzoekers advocaat aanwezig, terwijl de Sociale verzekeringsbank niet is verschenen. De Raad overwoog dat het verzoek feitelijk een hernieuwde discussie over reeds bekende gegevens beoogt, hetgeen niet is toegestaan bij het bijzondere rechtsmiddel van herziening.

Specifiek werd ingegaan op de eigen bijdragen AWBZ die de moeder van verzoeker tijdens haar opname in een verpleeghuis moest betalen. De Raad stelde vast dat verzoeker hiervan reeds op de hoogte was of dat dit redelijkerwijs bekend had kunnen zijn en dat dit gegeven geen ander oordeel zou rechtvaardigen over het gezinsverband.

De Raad concludeert dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak is gedaan door rechter T.L. de Vries en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die tot een andere uitspraak zouden leiden.

Uitspraak

06/4100 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker],
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juli 2005, 04/1949
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 31 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van eerder vermelde uitspraak van de Raad, naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007. Namens verzoeker is verschenen, mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht. De Svb is, met kennisgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 17 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en,
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.
Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
In hetgeen verzoeker bij zijn verzoek om herziening heeft aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van Pro de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad moet dan ook vaststellen dat verzoeker met het onderhavige verzoek kennelijk heeft beoogd op basis van reeds bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.
Met betrekking tot de ter zitting genoemde eigen bijdragen AWBZ, die de moeder van verzoeker moest betalen tijdens haar opname in een verpleeghuis, merkt de Raad op dat verzoeker met de betaling van die bijdragen reeds bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn voor de uitspraak waarvan herziening is verzocht. Voorts had dit gegeven de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen ten aanzien van de vraag of verzoeker en zijn moeder ten tijde van haar overlijden in gezinsverband leefden.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) A. Kovács
BKH