ECLI:NL:CRVB:2005:AT8199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na ontslag wegens fysieke klachten
Gedaagde was ruim zes jaar werkzaam bij een groothandel in land- en tuinbouwproducten en nam ontslag wegens zware fysieke klachten door langdurig til- en sjouwwerk en onmogelijkheid tot werktijdverkorting. Na een korte vakantie trad zij in dienst bij Randstad, maar werd daar ontslagen tijdens de proeftijd wegens persoonlijke omstandigheden.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde een WW-uitkering omdat gedaagde verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. De rechtbank oordeelde echter dat gedaagde niet verwijtbaar werkloos was omdat voortzetting van het eerdere dienstverband niet redelijk was en zij alles had gedaan om werkloosheid te voorkomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat gezien de omstandigheden waaronder gedaagde haar vorige dienstbetrekking beëindigde en de overstap naar Randstad, haar werkloosheid niet verwijtbaar is. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten en heft griffierecht.
De uitspraak benadrukt dat het weigeren van overwerk door gedaagde niet onredelijk was en dat haar ontslag op medische gronden gerechtvaardigd was. De Raad volgt hiermee de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: De werkloosheid van gedaagde is niet verwijtbaar en zij heeft recht op een WW-uitkering.