ECLI:NL:CRVB:2005:AT8092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet tijdig indienen jaaropgave ondanks betwisting en evenredigheidsoverweging
Appellante werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een boete opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over 2000. De boete bedroeg €9.075, vastgesteld op 20% van de gecorrigeerde premie, gemaximeerd op f 20.000. Appellante stelde dat zij de opgave wel tijdig had verzonden en betwistte de hoogte en rechtmatigheid van de boete.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat het risico van niet aankomen van een niet aangetekend verzonden poststuk bij de verzender ligt en dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor tijdige verzending. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellante niet aan haar verplichting had voldaan en dat sprake was van grove schuld, aangezien zij bekend was met de verplichting en niet tijdig had gereageerd op rappellen.
De Raad oordeelde dat de kwalificatie van de overtreding als vergrijp terecht was en dat de boete, gerelateerd aan de premie en gemaximeerd, niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Het beleid en de wettelijke bepalingen boden voldoende ruimte voor de hoogte van de boete. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de boete gehandhaafd.
Uitkomst: De boete wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave wordt bevestigd en gehandhaafd.