ECLI:NL:CRVB:2005:AT7938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW-uitkering wegens onjuiste urenopgave en verjaring
Appellant, voormalig directeur van een bouwbedrijf, ontving vanaf 1993 een WW-uitkering gebaseerd op een 40-urige werkweek. Hij werkte daarnaast als zelfstandige, maar gaf onjuiste en onvolledige uren en vergoedingen op in zijn inkomstenverklaringen. Na onderzoek stelde het UWV vast dat appellant meer uren werkte en hogere vergoedingen ontving dan opgegeven, wat leidde tot een terugvordering van onverschuldigde uitkeringen.
De rechtbank wees het beroep van appellant af, waarna hij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant voerde onder meer aan dat hij de brief die de terugvordering aankondigde niet had ontvangen en dat de terugvordering daardoor verjaard was. Ook betwistte hij de berekening van de gewerkte uren en stelde dat het UWV ten onrechte niet van zijn eigen opgave was uitgegaan.
De Raad oordeelde dat appellant de brief waarschijnlijk wel had ontvangen en dat de brief van 20 mei 1998 een stuitingshandeling vormde waardoor de terugvordering niet was verjaard. De Raad bevestigde dat appellant onjuiste gegevens had verstrekt en dat het UWV terecht was uitgegaan van een hogere vergoeding en meer uren. Wel constateerde de Raad dat het UWV de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM Pro had overschreden, maar dat dit nadeel voldoende was gecompenseerd doordat de invordering was opgeschort en geen rente was gevorderd.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betrof, verklaarde het beroep gegrond en beperkte de terugvordering tot de periode van 1 juni 1993 tot en met 1 december 1995. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: De terugvordering van de WW-uitkering wordt beperkt wegens schending redelijke termijn EVRM, herziening van de uitkering blijft gehandhaafd.