ECLI:NL:CRVB:2005:AT7927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging werkzaamheden als uitzendkracht
Appellant werkte vanaf 27 augustus 2001 via een uitzendbureau bij een inlener, maar is vanaf 17 oktober 2001 zonder kennisgeving van zijn werk weggebleven. Hij vroeg op 1 november 2001 een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat hij minder dan de overeengekomen 30 uur per week mocht werken, waardoor hij zijn werkzaamheden beëindigde. De Raad overwoog dat appellant niet had geprobeerd zijn bezwaren bij het uitzendbureau of de inlener kenbaar te maken en dat hij niet had geprobeerd de voortzetting van zijn werkzaamheden te waarborgen.
De Raad oordeelde dat van appellant redelijkerwijs kon worden verlangd dat hij alles zou doen om werkloosheid te voorkomen. Het ontbreken van een garantie voor minimaal 30 uur werk door het uitzendbureau maakte zijn vertrek niet gerechtvaardigd. Daarom is de weigering van de WW-uitkering terecht en wordt het beroep afgewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zonder kennisgeving zijn werkzaamheden te beëindigen.