ECLI:NL:CRVB:2005:AT7759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van WW-uitkering wegens gelijktijdige ZW-uitkering
De zaak betreft de intrekking van een WW-uitkering met terugwerkende kracht omdat de betrokkene vanaf de relevante datum tevens een ZW-uitkering ontving, waardoor hij niet als werkloos in de zin van de WW wordt aangemerkt. De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had de WW-uitkering ingetrokken en de onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd.
De rechtbank Breda had het besluit van intrekking vernietigd, maar in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel herzien. De Raad stelt vast dat de betrokkene vanaf 23 mei 2001 zowel een ZW- als een WW-uitkering ontving, hetgeen volgens artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW niet is toegestaan. Het besluit tot intrekking van de WW-uitkering is daarom terecht genomen.
De betrokkene had betoogd dat hij slechts het netto te veel betaalde bedrag hoefde terug te betalen, omdat de dubbele uitkering aan de fout van de appellant te wijten zou zijn. Dit standpunt werd door de Raad verworpen. De Raad oordeelt dat de appellant gehouden was de onverschuldigde betalingen terug te vorderen en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de appellant ongegrond, waarmee de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering met terugwerkende kracht en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen worden bevestigd.