ECLI:NL:CRVB:2005:AT7533

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5863 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit tot niet-herleving en geen nieuw WW-recht voor appellante

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin werd geoordeeld dat haar eerder toegekende WW-uitkering niet herleeft en dat zij geen nieuw WW-recht krijgt toegekend met ingang van 10 september 2002.

De Centrale Raad van Beroep heeft het geschil beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet zoals die ten tijde van het geschil van toepassing was. De Raad onderschrijft volledig de overwegingen en vaststellingen van de rechtbank en ziet geen nieuwe feiten of gronden in het hoger beroep die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 22 juni 2005 door de voorzitter en leden van de Raad.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerder toegekende WW-uitkering niet herleeft en kent appellante geen nieuw WW-recht toe.

Uitspraak

03/5863 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J. Blom, destijds advocaat te Spijkenisse, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 18 november 2003, reg.nr. WW 03/1308 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 19 mei 2004 heeft mr. N. Desloover, advocaat te Rotterdam, bericht de zaak van mr. Blom te hebben overgenomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellante niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.
Het gaat in dit geding om de vraag of gedaagde op goede gronden heeft besloten dat de eerder aan appellante toegekende WW-uitkering niet herleeft en haar met ingang van 10 september 2002 geen nieuw WW-recht toe te kennen.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen reeds eerder naar voren is gebracht geen nieuwe feiten of gronden. Nu de Raad hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen volledig kan onderschrijven, ziet de Raad geen aanleiding nader op deze herhaalde feiten en gronden in te gaan.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.