ECLI:NL:CRVB:2005:AT7174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van terugvordering WAO- en WW-uitkeringen wegens niet gemelde inkomsten
Appellant was sinds 1994 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Gedaagde stelde vast dat appellant naast zijn reguliere loon een niet gemelde contante vergoeding ontving en in WW-periodes zwart werkte. Op basis van weeklijsten en een rode multomap concludeerde gedaagde dat appellant onterecht uitkeringen ontving en vorderde deze terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarop appellant hoger beroep instelde. Tijdens de procedure trok appellant het beroep in voor twee van de vijf besluiten, waarna de Raad de proceskosten aan appellant toekende. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde om zijn stellingen te onderbouwen en dat het bestuursprocesrecht geen formele bewijsopdracht kent.
De Raad achtte de administratie en verklaringen van betrokkenen betrouwbaar en concludeerde dat appellant inderdaad inkomsten uit zwartwerk had ontvangen. De terugvordering van de uitkeringen was daarom gegrond. Het hoger beroep werd afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot terugvordering van WAO- en WW-uitkeringen bevestigd.