ECLI:NL:CRVB:2005:AT6286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- C. van Viegen
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Geen zelfstandig recht op bijstand bij gezamenlijke huishouding met ex-partner
Appellante ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder, maar het College van burgemeester en wethouders beëindigde deze omdat zij met haar ex-partner een gezamenlijke huishouding zou voeren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
De Raad onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw). Hoewel appellante en haar ex-partner verschillende adressen aanhielden, stelde de Raad vast dat zij feitelijk samenwoonden op één adres, mede op basis van verklaringen van buren, huisbezoeken en verhoren door de sociale recherche. De door appellante aangevoerde onjuistheden in het verhoor en het proces-verbaal werden verworpen.
De Raad oordeelde dat appellante als gehuwd moest worden aangemerkt en daarom geen zelfstandig recht op bijstand had. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante wordt beëindigd omdat zij met haar ex-partner een gezamenlijke huishouding voert.