ECLI:NL:CRVB:2005:AT6283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- C. van Viegen
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsrecht wegens ontbreken woonplaats in bijstandsgemeente
Appellant heeft met terugwerkende kracht bijstand aangevraagd vanaf 15 april 2000. Het College van burgemeester en wethouders van Delft kende bijstand toe vanaf 29 augustus 2000, maar wees eerdere perioden af wegens het ontbreken van bewijs dat appellant in die tijd woonachtig was in de gemeente.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad hechtte geen waarde aan de verklaring van de hoofdbewoner van het vermeende adres en vond dat appellant onvoldoende bewijs leverde van zijn verblijf in de gemeente gedurende de betwiste periode.
De Raad baseerde zich op artikel 63 van Pro de Algemene bijstandswet en de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek omtrent woonplaats. Het feit dat appellant zich had laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie werd niet als doorslaggevend bewijs gezien, mede omdat deze inschrijving later werd gecorrigeerd naar een onbekend adres.
De Raad concludeerde dat appellant geen recht op bijstand had voor de periode van 15 april 2000 tot 29 augustus 2000 en bevestigde daarmee het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van bijstand vanaf 29 augustus 2000 wordt bevestigd.