ECLI:NL:CRVB:2005:AT6227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen tijdens WW-uitkering
Appellante, voormalig manager, ontving vanaf januari 2001 een WW-uitkering vanwege arbeidsurenverlies. Zij werkte gedeeltelijk bij Profit BV en breidde haar uren geleidelijk uit tot volledige werkweek in mei 2002. In de periode van 25 februari tot 25 maart 2002 verrichtte zij geen enkele sollicitatieactiviteit.
De Raad beoordeelde of de opgelegde maatregel wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen terecht was. Appellante voerde aan dat er geen passende vacatures waren, haar beperkte beschikbaarheid, leeftijd en opleidingsniveau maakten passend werk moeilijk, en dat werk op lager niveau niet passend was vanwege lagere beloning dan haar WW-uitkering.
Gedaagde stelde dat sollicitatieplicht bekend was, dat appellante ook naar lager niveau had moeten solliciteren, en dat het niet vaststaat dat lagere functies slechter betaald zijn. De Raad vond dat appellante zich te beperkt opstelde en dat het niet verrichten van sollicitaties causaal verband hield met voortdurende werkloosheid.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat er geen sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Tevens wees de Raad op vaste jurisprudentie dat het verrichten van deeltijdwerk niet ontslaat van sollicitatieplicht. De opgelegde maatregel en verlaging van de WW-uitkering met 20% voor 16 weken is daarmee terecht.
Uitkomst: De maatregel wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen wordt bevestigd en de WW-uitkering wordt met 20% verlaagd gedurende 16 weken.