ECLI:NL:CRVB:2005:AT6224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verwijtbaarheid werkloosheid en weigering WW-uitkering wegens ontslagname
Appellant was werkzaam bij een werkgever op basis van een proefplaatsing en later een arbeidsovereenkomst. Na een conflictsituatie en gesprekken met de werkgever en een reïntegratiebedrijf, meldde appellant zich ziek. De werkgever beëindigde het dienstverband per 28 september 2001. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door ontslagname.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet alle mogelijke stappen had ondernomen om werkloosheid te voorkomen. Appellant stelde in hoger beroep dat de situatie onwerkbaar was geworden door de houding van de werkgever en medische klachten.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat niet ondubbelzinnig is gebleken dat appellant door ontslagname het dienstverband heeft beëindigd. Loondoorbetaling tot 1 oktober 2001 en het hervatten van werkzaamheden op 10 oktober 2001 wijzen hierop. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verstoorde arbeidsrelatie, de opstelling van de werkgever en de reïntegratiepositie van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit nemen.