ECLI:NL:CRVB:2005:AT5539
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens niet behouden van werk door appellant
Appellant was werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Roeibond (KNRB) op basis van een arbeidsovereenkomst van 15 juni 1999 tot 15 juni 2002. Na afloop van deze overeenkomst vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd wegens verwijtbaar werkloos worden.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het niet voortzetten van het dienstverband op initiatief van appellant was gebeurd, zonder dat er zodanige bezwaren waren die voortzetting redelijkerwijs onmogelijk maakten. Appellant stelde in hoger beroep dat het initiatief bij de KNRB lag en dat hij zich had verzet tegen functiewijzigingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte artikel 24, tweede lid, onderdeel b, WW had toegepast, aangezien het ging om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigde. Tevens vond de Raad geen bewijs dat appellant zich verwijtbaar had gedragen zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, onderdeel a, WW.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand op grond van een andere wettelijke grondslag. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen in stand blijven.