ECLI:NL:CRVB:2005:AT5536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Toepassing Wet Flexibiliteit en zekerheid op opzegtermijn bij faillissement werkgever
Werknemer, ouder dan 45 jaar op 1 januari 1999, verzocht het UWV om de achterstallige betalingsverplichtingen van zijn failliet verklaarde werkgever over te nemen met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV weigerde het loon over de opzegtermijn die zes weken overschreed over te nemen, verwijzend naar artikel 64 van Pro de WW en artikel 40 van Pro de Faillissementswet (Fw).
De Centrale Raad van Beroep onderzocht of artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en zekerheid, dat oudere werknemers een langere opzegtermijn garandeert, ook bij de opzegtermijn door de curator moet worden betrokken. De Raad concludeerde dat deze overgangsregeling ook geldt voor artikel 40 van Pro de Fw en daarmee voor de overnameverplichting van het UWV volgens artikel 64 WW Pro.
Het UWV stelde dat artikel 64 WW Pro geen expliciete verwijzing naar artikel XXI bevat en dat de overnameverplichting daarom beperkt is tot zes weken. De Raad verwierp dit standpunt en benadrukte dat het buiten toepassing laten van artikel XXI nadelig is voor de werknemer. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan werknemer vergoed.
Uitkomst: Het UWV moet de langere opzegtermijn voor werknemers van 45 jaar en ouder toepassen bij de overname van betalingsverplichtingen van een failliete werkgever.