ECLI:NL:CRVB:2005:AT5527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1987 een bijstandsuitkering en werd door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1996-2001, wegens vermeende gezamenlijke huishouding met zijn voormalige echtgenote. De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde appellant dat hij feitelijk op een ander adres woonde en dat de enkele inschrijving op verschillende adressen niet uitsluit dat er geen gezamenlijke huishouding was. De Raad oordeelde dat het enkele feit van regelmatig verblijf onvoldoende is om een gezamenlijke hoofdverblijf aan te nemen zonder gedegen onderzoek naar de woon- en leefomstandigheden. De verklaringen waarop het besluit was gebaseerd boden onvoldoende bewijs en er was geen onderzoek gedaan naar de feitelijke woonsituatie van appellant en zijn voormalige echtgenote.
De Raad vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bepaalde dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.