ECLI:NL:CRVB:2005:AT5205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW-uitkering bij betwiste ernstige ontslaggronden zonder onderliggende bewijsstukken
Gedaagde was sinds 1994 werkzaam als hoofd onderhoud en renovatie en werd in 2002 door zijn werkgever ontslagen wegens spanningen en vermeend disfunctioneren. De werkgever stelde ernstige verwijten zoals steekpenningen en malversaties, waarop gedaagde ontkende en stelde dat werkdruk en hoge eisen tot spanningen leidden.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding toe te kennen. Na aanvraag van een WW-uitkering weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) de uitkering op basis van mondelinge verklaringen van de werkgever, die geen onderliggende bewijsstukken verstrekte.
De rechtbank oordeelde dat een mondelinge verklaring onvoldoende is als bewijs voor zo'n zwaarwegend besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, benadrukkend dat bij ernstige aantijgingen en betwisting door werknemer meer bewijs vereist is. Hoewel de werkgever weigerde stukken te overleggen, heeft appellant wettelijke middelen om deze op te vragen.
De Raad veroordeelde appellant in de proceskosten en legde griffierechten op. Het beroep van appellant werd afgewezen, waarmee de weigering van de WW-uitkering onrechtmatig werd verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de weigering van de WW-uitkering op basis van een mondelinge verklaring zonder bewijs onvoldoende is en verklaart het beroep van appellant ongegrond.