ECLI:NL:CRVB:2005:AT4062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit handel in nepverdovende middelen
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van informatie van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland voerde de Sociale Recherche Amsterdam een onderzoek uit, waaruit bleek dat appellant in de periode van 14 augustus 1998 tot en met 1 maart 2001 straathandel dreef in nepverdovende middelen en daaruit inkomsten genoot.
Gedaagde, het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam, trok op 26 juli 2001 het recht op bijstand van appellant in en vorderde de kosten van bijstand tot een bedrag van ƒ 57.261,87 terug wegens het niet melden van deze inkomsten. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bevindingen van de sociale recherche, gebaseerd op processen-verbaal en aanhoudingen, voldoende waren om vast te stellen dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden. Het feit dat er geen strafrechtelijke vervolging volgde, deed hieraan niet af. Omdat appellant geen inzicht gaf in de omvang van zijn inkomsten, kon niet worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering en zag geen dringende redenen om hiervan af te zien.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit handel in nepverdovende middelen wordt bevestigd.