ECLI:NL:CRVB:2005:AT3817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid bij aanvraag WW-uitkering na verblijf en inschrijfpoging
Appellant, een Egyptische nationaliteit, werkte jarenlang illegaal in Nederland en kreeg op basis van de witte illegalenregeling een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. Na het verliezen van zijn arbeidsuren op 20 maart 2001 probeerde hij zich op 21 maart 2001 in te schrijven bij het Arbeidsbureau, maar dit mislukte vanwege vermeend ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. Op 30 maart 2001 vertrok hij tijdelijk naar Egypte en diende op 5 september 2001 een aanvraag in voor een WW-uitkering met ingang van 20 maart 2001.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering over de periode 22 maart tot 1 juli 2001 omdat appellant niet beschikbaar zou zijn geweest voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad benadrukte dat beschikbaarheid voor arbeid een feitelijke toestand betreft die aan de hand van concrete feiten en gedragingen moet worden beoordeeld.
De Raad stelde vast dat er geen feiten waren die ondubbelzinnig aantonen dat appellant zich niet beschikbaar stelde. Zijn poging tot inschrijving bij het Arbeidsbureau getuigde juist van beschikbaarheid. Ook het vertrek naar Egypte en het later indienen van de aanvraag stonden niet in de weg aan beschikbaarheid. De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het Uwv een nieuwe beslissing moet nemen. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuwe beslissing nemen over de WW-uitkering omdat appellant beschikbaar was voor arbeid.