ECLI:NL:CRVB:2005:AT3518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens niet-seizoenmatige arbeid tennislerares
Appellante, werkzaam als tennislerares, vroeg een WW-uitkering aan wegens urenverlies vanaf 1 oktober 2001. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij niet werkloos was in de zin van de WW, aangezien zij niet voldeed aan de ureneis: zij had geen gemiddeld verlies van minimaal vijf uren per week ten opzichte van het voorafgaande jaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat appellante een wisselend arbeidspatroon had, maar geen seizoenarbeid verrichtte.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar arbeid seizoenarbeid was, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. De Raad overwoog dat appellante het gehele jaar tennislessen gaf, zij het in de winter minder uren vanwege beperkte binnenbanen. Dit urenverlies was het gevolg van bedrijfseconomische factoren en niet van klimatologische omstandigheden, waardoor geen sprake was van seizoenarbeid.
Voorts oordeelde de Raad dat het UWV had voldaan aan de aanzeggingsverplichting, aangezien appellante uit een brief van het UWV uit 2000 had kunnen begrijpen dat bij ongewijzigd patroon geen recht op WW-uitkering zou zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet voldoen aan de ureneis en het ontbreken van seizoenarbeid.