ECLI:NL:CRVB:2005:AT3330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en inlichtingenverplichting
Appellante ontving vanaf oktober 1998 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. In december 2000 trok gedaagde deze uitkering in omdat appellante sinds juni 2000 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, zonder dit te melden. Hierdoor werd bijstand ten onrechte verleend. Appellante diende een nieuwe aanvraag in die werd afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten.
De Raad oordeelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding sinds juni 2000, doordat de partner ingeschreven stond op het adres en zij samen kinderen hebben. Appellante schond daarmee haar inlichtingenverplichting, wat rechtvaardigt dat de bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd. De aanvraag van december 2000 was echter geen herhaalde aanvraag in de zin van de Awb, waardoor de afwijzing op die grond onrechtmatig was.
De Raad vernietigt daarom het besluit van 19 juli 2001 voor zover het de afwijzing van deze aanvraag betreft, maar laat de rechtsgevolgen van de intrekking en terugvordering in stand. De aanvraag werd terecht afgewezen omdat appellante niet aannemelijk maakte dat haar situatie was gewijzigd. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de aanvraag van 15 december 2000 wordt vernietigd, maar de intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand.